


|
www.Natuurblik.be |
|
Ringslang (Natrix natrix) |

|
De Ringslang is één van onze drie inheemse slangensoorten en het grootste, bij ons voorkomende, reptiel. Hij kan meer dan één meter lang worden en is te herkennen aan zijn ronde pupillen en gele vlekken in de hals.
Op het menu van de Ringslang staan vooral amfibieën, daarom zijn ze zelden ver van wateren te vinden. Dit kunnen moerassen, vennen, rivieren, meren of vijvers zijn, zolang het water maar niet te snel stromend is. De Ringslang verzameld zijn maaltje overdag en dit zowel op het land als in het water. Hij is een getalenteerd zwemmer en kan wel een half uur onder water blijven.
De Ringslang is net zoals alle reptielen koudbloedig. Om hun lichaam op temperatuur te brengen en zo hun motoriek en spijsvertering te versnellen, moeten ze regelmatig een zonnebad nemen. Daarom zijn rustige open plekken in hun leefgebied zeer belangrijk.
Ringslangen paren in april/mei, kort nadat ze hun overwinteringkwartier verlaten hebben. Twee maanden later legt het wijfje haar eieren in zogenaamde broedhopen. Broedhopen zijn plaatsen waar door compostering warmte wordt geproduceerd. Dit kunnen natuurlijke ophopingen van dood plantaardig materiaal zijn of door de mens aangelegde mest– en composthopen. Deze broedhopen zijn van cruciaal belang, omdat de eieren een temperatuur tussen de 21 en 28°C nodig hebben om te ontwikkelen. De Ringslang is bij ons de enige slangensoort die eieren legt, de andere twee soorten zijn eierlevendbarend. Dit houdt in dat het wijfje de eieren in haar lichaam uitbroedt en ze pas legt op het moment dat deze gaan uitkomen.
Ringslangen zijn niet giftig en heel schuw. Bij bedreiging vluchten ze in het water of in holen onder de grond. Het gebeurt ook dat ze zich schijndood houden. In dat geval gaan ze op hun rug liggen met hun tong uit hun bek en hun pupillen naar onderen gedraaid. Uit anaalklieren produceren ze dan een stinkende stof die doet denken aan verrotting.
Omdat Ringslangen hun lichaamstemperatuur gedurende de wintermaanden niet hoog genoeg kunnen houden, gaan ze tussen oktober en april in een winterslaap. Hiervoor kruipen ze onder boomwortels, in verlaten dierenholen, onder takkenbossen, enz…
Deze foto heb ik genomen in het Müritz-Nationalpark te Waren, Duitsland (juni ’10).
|