www.Natuurblik.be

Huisspitsmuis (Crocidura russula)

De Huisspitsmuis behoort tot de groep van de Wittandspitsmuizen. Het is een nachtelijk rovertje dat maximum 9 cm groot wordt. In België en Nederland is het een algemene bewoner van  parken, droge weilanden, houtkanten en tuinen. Hij heeft een voorkeur voor gebieden in de omgeving van gebouwen. Men kan hem onderscheiden van de nauw verwante Veldspitsmuis, doordat bij laatstgenoemde er een scherpe grens loopt tussen de donkere rugzijde en de witte buikzijde. Bij de Huisspitsmuis verloopt deze overgang  geleidelijk.

 

Elke dag is de Huisspitsmuis gedwongen om zijn eigen gewicht aan voedsel te verorberen. Dit voedsel bestaat uit allerlei kleine dieren, zoals insecten, slakken, wormen en pissebedden. Zachte dieren, zoals naaktslakken, worden in hun geheel opgegeten. Bij hardere dieren, zoals kevers, laat hij de onverteerbare delen (poten, pantser en vleugels) liggen.

 

De Huisspitsmuis maakt zijn nest op een beschutte plaats, bijvoorbeeld onder een steen of tussen boomwortels. Het nest wordt gevoerd met gras en bladeren. Elk jaar brengt het wijfje ongeveer drie worpen van maximum tien jongen op de wereld. Deze worden naakt en blind geboren. In het eerste levensjaar worden de juveniele ook geslachtsrijp.

 

Spitsmuizen hebben op hun flanken en bij hun staart geurklieren, waarmee ze een muskuslucht kunnen verspreiden. Muskus is een geur die bij vele dieren afstotend werkt. De meeste roofdieren laten daarom deze ‘onwelriekende’ prooi links liggen. De Kerkuil vormt echter een uitzondering op deze regel en sommige exemplaren hebben zich zelf gespecialiseerd in het vangen van spitsmuizen. Dit komt doordat de Kerkuil geen reukorganen heeft en dus ook geen hinder ondervindt van de onaangename geur die spitsmuizen afgeven.

 

Net zoals alle andere spitsmuizensoorten, houdt de Huisspitsmuis geen winterslaap.

 

Deze foto heb ik genomen in de Prosperpolder, België (oktober ’09).