www.Natuurblik.be

Haas (Lepus europaeus)

Sinds januari is bij de Hazen de ’rammeltijd’ weer aangevangen en kunnen we weer genieten van mannelijke Hazen die op het land de meest gekke toeren uithalen. We zien grote groepen mannetjes (rammelaars) de gekste sprongen maken, elkaar razendsnel achtervolgen en op hun achterpoten hevige gevechten leveren. Dit alles heeft als doel, het recht te verwerven om met een bronstig vrouwtje (moer) te mogen paren. Deze gevechten zijn zeker niet zonder gevaar. Niet zelden houden rammelaars aan zulke gevechten beschadigde oren, poten, bijt- en krabwonden over. Als een strijdend mannetje echt pech heeft en hij wordt in zijn nek getroffen door een schop gegeven met beide achterpoten van zijn tegenstander, kan hij er zelfs het leven bij laten. Eens er onder de mannetjes een hiërarchie bepaald is, onderwerpt het bronstige moertje de dominante rammelaar nog aan een laatste test. Ze gaat, nadat ze heel de tijd stil op de grond heeft gelegen, plotseling wegrennen. Onmiddellijk gaan alle rammelaars de achtervolging inzetten. Het vrouwtje blijft rennen totdat er nog maar één mannetje is overgebleven, deze is logischerwijze degene met de beste conditie. Vervolgens zal het vrouwtje stoppen en vindt de copulatie, die nog geen dertig seconde duurt, plaats. Zeer opvallend is het feit dat bij Hazen het geslacht enkel gedurende deze ‘rammeltijd’ goed zichtbaar is. Tijdens de bronstijd zijn de teelballen van het mannetje namelijk afgedaald en zichtbaar. De rest van het jaar zitten ze verborgen in een huidsplooi in de buik, hierdoor zijn de rammelaars en de moeren moeilijk van elkaar te onderscheiden.

 

Tijdens geleide wandelingen heb ik gemerkt dat niet iedereen de uiterlijke verschillen tussen de Haas en zijn familielid het Konijn kent. Om te beginnen is de Haas groter, heeft hij langere oorschelpen met zwarte punten en heeft hij veel langere poten. Verder maakt het Konijn holen onder de grond terwijl de Haas heel zijn leven bovengronds doorbrengt.

 

Hazen kan men eigenlijk overal aantreffen, dat gaat van zeer natte tot zeer droge gebieden en van open weidelandschappen tot dichte bossen. Ondanks deze flexibiliteit vertonen ze toch een uitgesproken voorkeur voor cultuursteppen, weilanden en open loofbossen. Grote open graslanden met beschutte plaatsen, zoals hoog gras, heggen, houtkanten en ruige oevers, zijn zeer belangrijk in hun leefgebied. Hazen zijn van al onze inheemse zoogdieren het beste aangepast aan het leven in open landbouwgebieden. Hier moeten ze koude, wind, regen en roofdieren weten te trotseren met zo goed als geen beschutting. Om te ontsnappen aan de gure weerselementen, graaft de Haas op een zonnige beschutte plaats een ondiepe kuil die we een leger noemen. Overdag legt de Haas zich te ruste in zijn leger en zijn enkel zijn rug en kop zichtbaar. Van ver is hij dan erg gemakkelijk te overzien, want dan lijkt hij erg sterk op een aardkluit. Verspreid in zijn leefgebied, heeft een Haas verschillende legers. Deze worden afwisselend gebruikt, afhankelijk van de windrichting. Doorgaans legt een Haas zich te ruste met zijn neus in de wind, zodat hij met zijn altijd actieve neus, vroegtijdig naderend gevaar kan herkennen.

 

Hazen hebben het voornamelijk aan hun voorzichtigheid te danken, dat ze in een open cultuurlandschap zoals de polder, weten te overleven. De waakzaamheid van een Haas verslapt nooit, zelfs als ze overdag rusten, slapen ze niet meer dan enkele minuten. Vandaar de uitdrukking: een hazenslaapje. Als ze dan al slapen, openen ze bij de minste trilling of geluid direct de ogen. Ook als hij bij schemer en ’s nachts actief is, is hij continu op zoek naar eventueel gevaar. Regelmatig vormt hij een kegel door zich op zijn achterpoten te zetten en speurt hij zijn omgeving af. Bij het eten houdt hij zelden zijn kop lange tijd naar beneden gericht, maar kijkt hij voortdurend op.  Het moment dat er een potentieel gevaar wordt waargenomen, drukt de Haas zich plat op de grond met zij oren plat op zijn lichaam. Op die manier hoopt hij, door zijn goede camouflagekleuren onopgemerkt te blijven. Komt de bron van gevaar toch dichterbij, dan spurt hij met een maximum snelheid van 65 km/u weg. Onderzoek heeft uitgewezen dat een wegvluchtende Haas, op een afstand van een halve kilometer, een gemiddelde snelheid heeft van 50 km/u. Zijn vlucht is geen rechte lijn, maar een zigzag patroon om zijn achtervolgers af te schudden. Predatoren die het geurspoor van de Haas willen volgen, maakt hij het moeilijk door regelmatig terug over zijn eigen spoor te lopen en indien mogelijk volgt hij zelfs een eindje een waterloop. Dit lijkt heel eigenaardig voor leken, maar Hazen kunnen heel goed zwemmen en deinzen er niet voor terug een beek of riviertje over te zwemmen. Ook bij het betreden van zijn leger gaat de Haas heel omslachtig te werk. Om te beginnen zal hij daar nooit rechtstreeks naartoe lopen, maar eerst een paar valse reuksporen creëren. Als hij dan uiteindelijk dicht genoeg bij zijn leger gekomen is, dan springt hij daar naartoe met een reuzensprong van zo’n kleine vier meter. Dit alles om mogelijke roofdieren te misleiden.

 

Met het verdwijnen van de Lynx en de Wolf, heeft een gezonde volwassen Haas in Vlaanderen geen echte natuurlijke vijanden. Het komt slechts zeer zelden voor, dat bijvoorbeeld een Vos, in staat is een gezonde adulte Haas te verschalken. Zieke of jonge dieren daarentegen, worden door heel wat roofdieren bejaagd. Zo zijn er Buizerds, Marterachtigen, Vossen en Uilen die er actief jacht op maken. Toch sterven er heel wat volwassen Hazen, maar dan als slachtoffer van landbouwmachines, onkruidbestrijders en het verkeer.

 

Heel het jaar door kunnen er jongen geboren worden, maar er is toch een duidelijke piek in het voorjaar. De jongen worden met open ogen en een wollige vacht geboren en kunnen zich al enkele uren na de geboorte zelfstandig voortbewegen. De eerste dagen blijven de jongen nog bij elkaar, maar na vier dagen zoekt elk jong zijn eigen legertje. De jongen worden door de moeder direct na de geboorte alleen gelaten, maar één keer per dag zoekt ze ze terug op om ze te zogen. Dit doet ze zo’n drie à vier weken, alhoewel de jongen na een week al vast voedsel eten. De reden dat de jongen alleen gelaten worden, heeft te maken met hun veiligheid. Ze worden namelijk reukloos geboren en het vrouwtje wilt haar eigen geur niet op de jongen overbrengen. Op die manier is de kans dat ze gevonden worden door een roofdier, heel klein.

 

Deze foto heb ik genomen in het Müritz-Nationalpark te Ankershagen, Duitsland (april ‘11).