


|
www.Natuurblik.be |
|
Europees ree (Capreolus capreolus) |

|
Het Europees ree komt voor op heel het vaste land van Europa en Groot-Brittannië. Het houdt vooral van gebieden met veel beschutting, voedsel en rust. Bosjes onderling verbonden met hagen en afgewisseld door akkers en weilanden vormen dan ook het ideale biotoop. Reeën voeden zich met bladeren, kruiden, bessen, noten, jonge scheuten, paddenstoelen en in de winter staan er zelf twijgen en bast op het menu. Door hun gevarieerd dieet zijn monotone bossen (bv. dennenbossen) geen ideaal leefgebied. Gedurende de vorige eeuwen was het Ree in Vlaanderen lokaal uitgeroeid, enkel in Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg bleven er nog populaties aanwezig. Sinds de jaren zeventig kent het Ree terug een opmars en men ziet ze weer in heel Vlaanderen verschijnen. Dit komt vooral doordat men met de drijfjacht gestopt is, waardoor Reeën een grotere overlevingskans hebben en de mens minder met gevaar gaan associëren. Dit heeft als gevolg dat ze zich dichter bij menselijke nederzettingen vestigen. Vanaf de nazomer tot aan de lente vormen Reeën kleine groepjes die gedomineerd worden door een reegeit. In het voorjaar verlaten de volwassen bokken eerst de groep om voor een territorium te gaan strijden. De eenjarige bokken trekken nadien ook uit de groep weg om heel de zomer langs de territoriumgrenzen te zwerven. Pas als de volwassen reegeit gaat bevallen zal ze haar eenjarige dochter verstoten en zoekt ze zelf een territorium om haar nieuw jong te werpen. Half juli vangt de bronst aan en duurt tot half augustus. Een reegeit is ongeveer 4 dagen bronstig en lokt dan bokken door geurverspreiding en lokroepen. Na het liefdesspel verdwijnt de wederzijdse interesse en gaan ze terug ieder hun eigen weg. Wanneer na de zomer de hormonale spanningen verminderen vormen de dieren terug groepjes. Het zijn enkel de bokken die een gewei dragen, dit bestaat maximum uit drie takken. Naargelang het aantal takken spreken we van een spitser (1 tak per gewei), een gaffel (twee takken) en een zesender (drie takken). Dit gewei wordt steeds in het najaar afgeworpen. Vlak na het afwerpen begint het nieuwe gewei zich reeds te vormen. Tijdens de groei ervan is het overdekt met huid, deze wordt in het voorjaar 'afgeveegd' tegen jonge boompjes. In de zomer is de vacht van beide seksen roodbruin en de spiegel (achterwerk) geelwit, in het najaar na de verharing is de vacht grijsbruin en de spiegel wit. In de wintermaanden kan men een reebok van een reegeit onderscheiden aan de hand van deze spiegel. De spiegel van het mannetje is namelijk boonvormig, terwijl we bij het vrouwtje ook nog een wit haarbosje (schort) zien dat de vagina bedekt. In het voorjaar van 2004 (mei-augustus) hebben we ook twee reebokken in het Park van Beervelde gehad. Spijtig genoeg zijn ze met de opbouw van de 'Hondsdolle Dag' weggetrokken en hebben we ze sindsdien niet meer gezien. Deze foto heb ik getrokken in het Müritz Nationalpark, Duitsland (december 2004).
|