


|
www.Natuurblik.be |
|
Edelhert (Cervus elaphus) |

|
In het wild levende Edelherten zijn in België en Nederland beperkt tot de Ardennen, de Veluwe, de Oostvaardersplassen en het Kempen-Broek. Verder komen ze verspreid voor in halfwilde staat binnen wildrasters. Van nature kwam deze ‘koning van het woud’ in het grootste deel van Europa voor, maar intensieve bejaging en cultivering van hun leefgebied hebben geleid tot deze zeer sterke achteruitgang van de populatie. Edelherten hebben een groot aanpassingsvermogen, waardoor ze in de meest uiteenlopende habitat kunnen overleven. Dit gaat van rivierdalen tot gebergtes en van droge heidegebieden tot moerassen.
Edelherten zijn na het Eland de grootste vertegenwoordigers van de Hertenfamilie. Ze hebben een lichaamslengte van 165 tot 250 cm en een schouderhoogte van 120 tot 140 cm. De vrouwtjes (hinden) zijn kleiner en aanzienlijk lichter dan de mannetjes (herten). Zo weegt een volwassen ‘hert’ tussen de 125 en de 250 kg en ligt het gewicht van een ‘hinde’ tussen de 50 en de 70 kg. De zomervacht van een Edelhert is kastanjebruin, de wintervacht daarentegen is grijsachtig bruin. De 12 tot 15 cm lange staart heeft dezelfde kleur dan de vacht en is duidelijk zichtbaar tegen een hartvormige lichte vlek (spiegel). Enkel de ‘herten’ dragen een gewei, dat tot 70 cm lang kan zijn en meer dan 10 kg kan wegen.
Edelherten leven het grootste deel van het jaar in roedels bij elkaar. De ‘hinden’ en de kalveren vormen dan ‘kaalwildroedels’ en de ’herten’ vormen dan ook aparte roedels. In september komt daar verandering in, want dan begint de bronstijd. Op die moment verlaten de volwassen ‘herten’ hun roedel en proberen ze een ‘harem’ rond zich te verzamelen. Dit doen ze door een luid orgelend geluid voort te brengen (burlen) en hun krachten te meten met rivalen. Enkel bij ‘herten’ die even sterk zijn vindt er een gevecht plaats. Tijdens zulke gevechten proberen ze elkaar met hun gewei weg te drukken. Het dominante hert wordt ‘plaatshert’ over een ‘harem’ dat bestaat uit 10 à 20 hinden. Meestal zijn het ‘herten’ tussen de 7 en de 11 jaar die sterk genoeg zijn om een ‘harem’ te verzamelen en te behouden. Het ‘plaatshert’ paart met alle bronstige ‘hinden’ uit zijn groep.
Na de bronstijd vormen de ‘hinden’ terug een ‘kaalwildroedel’ en de ‘herten’ troepen dan ook terug samen. In mei worden de kalveren geboren. Meestal is het slechts één kalf per ’hinde’, maar sporadisch ziet er ook een tweeling het levenslicht. De eerste levensdagen laat de moeder het kalfje goed verstopt achter en bezoekt het enkel gedurende de nachtelijke uren om het te zogen. Na een paar dagen, als het jong kan lopen, volgt het zijn moeder. Het kalf wordt gespeend tot de volgende bronstijd.
In onze streken treft men Edelherten vooral aan in gebieden waar uitgestrekte bossen afgewisseld worden door weilanden. Overdag verschuilen ze zich tussen de bomen, om bij schemering te voorschijn te komen en voedsel te zoeken. Tijdens de zomer bestaat hun menu vooral uit grassen, bladeren, bessen, jonge scheuten en kruidachtigen. In de winter schakelen ze over op knollen, wortels, kastanjes, boomschors en andere gewassen.
Deze foto heb ik genomen in Rochehaut, België (februari ‘06).
|